18/09/2025
Deel 9
Yādava dāsa: Bābājī Mahāśaya, de sādhu's, waarover u spreekt, zijn ook in deze wereld aanwezig en ze worden ook onderdrukt door de ellende van het materiële bestaan, dus hoe kunnen zij andere jīva’s bevrijden?
Ananta dāsa: Het is een feit, dat sādhu’s ook in deze wereld leven, maar er is een groot verschil tussen het aardse leven van sādhu’s en dat van de jīva’s, die door māyā worden begoocheld. Hoewel het aardse leven van beiden 89
aan de buitenkant hetzelfde lijkt, is er innerlijk een groot verschil. Bovendien is de associatie van sādhu’s zeer zeldzaam, want al zijn sādhu’s altijd aanwezig, de gewone man kan hen niet herkennen.
Er zijn twee categorieën jīva’s, die in de ketenen van māyā zijn gevallen. Sommigen worden volkomen in beslag genomen door onbe-tekenend materieel plezier en hebben een geweldig respect voor deze materiële wereld; terwijl anderen helemaal niet tevreden zijn met het triviale plezier van māyā en hanteren een subtieler onderscheid in de hoop een hogere kwaliteit geluk te vinden. Het gevolg is, dat de mensen van de wereld grofweg in twee groepen verdeeld kunnen worden: degenen die de kracht ontbreekt om onderscheid te maken tussen geest en materie en degenen, die dergelijk inzicht wel hebben.
Sommige mensen noemen degenen zonder inzicht materialistische lustbevredigers en degenen met inzicht, die bevrijding zoeken, mumukṣu’s. Als ik hier het woord mumukṣu gebruik, bedoel ik niet de nirbheda-brahma jñāni’s, degenen die de nirveśeṣa-brahma (ongedifferentieerd brahma) zoeken via het proces van monistische kennis. Degenen, die zijn uitgeput door de ellende van het materiële bestaan en die hun ware spirituele identiteit zoeken, heten in de Vedische śāstra’s mumukṣu’s. Het woord mumukṣā betekent letterlijk „het verlangen naar mukti (bevrijding)‟. Als een mumukṣu zijn verlangen naar bevrijding opgeeft en zich in de verering van Bhagavān begeeft, heet zijn bhajana śuddhā-bhakti. De śāstra’s adviseren niet om mukti op te geven. Als een persoon, die bevrijding verlangt, kennis verkrijgt over de waarheid van Kṛṣṇa en de jīva’s, is hij onmiddellijk bevrijd. Dit wordt alsvolgt in Śrīmad-Bhāgavatam (6.14.3-5) bevestigd:
rajobhiḥ sama-saṅkhyātāḥ pārthivair iha jantavaḥ teṣāṁ ye kecanehante śreyo vai manujādayaḥ
De jīva’s van deze wereld zijn in aantal zo ontelbaar als stofdeeltjes. Van al deze levende wezens zijn er maar enkelen, die hogere levensvormen bereiken, zoals die van de mens, de deva’s en de Gandharva‟s en slechts enkelen daarvan nemen hogere religieuze principes aan.
prāyo mumukṣavas teṣāṁ kecanaiva dvijottama mumukṣūṇāṁ sahasreṣu kaścin mucyeta sidhyati
O beste brāhmaṇa, van al diegenen, die hogere religieuze principes aannemen, streven slechts weinigen naar bevrijding, en van de vele duizenden, die streven naar bevrijding, is er maar één, die in feite de perfecte of bevrijde staat bereikt.
muktānām api siddhānāṁ nārāyaṇa-parāyaṇaḥ su-durlabhaḥ praśāntātmā koṭiṣv api mahā-mune
O grote heilige, van de vele miljoenen bevrijde en perfecte zielen is een toegewijde, die geheel vreedzaam is en zich uitsluitend wijdt aan Śrī Nārāyaṇa, uiterst zeldzaam.
Bhakta’s van Kṛṣṇa zijn zelfs nog zeldzamer, dan die van Nārāyaṇa, want zij hebben het verlangen naar bevrijding overstegen en bevinden zich al in de bevrijde staat. Ze blijven in deze wereld zolang het lichaam stand houdt, maar hun aardse bestaan is categorisch anders dan dat van de materialist. De bhakta’s van Kṛṣṇa leven in deze wereld in twee condities (met een huishouden, of als onthechte monnik).