02/05/2019
De Public Affairs Academie leest ‘Opstaan in het Lloyd Hotel’ van Lodewijk Asscher (Uitgeverij Podium)
Vallen, en weer opstaan. Dat karakteriseert tot dusverre de politieke loopbaan van PvdA-fractievoorzitter Lodewijk Asscher. Na een succesvolle periode als populaire wethouder in Amsterdam trad hij in 2012 toe tot het kabinet Rutte-II als vicepremier en minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Viereneenhalf jaar later leed Asscher, na een felle strijd met Diederik Samsom om het lijsttrekkerschap, de grootste PvdA-nederlaag ooit. Bij de Tweede Kamerverkiezingen ging de partij namelijk van 38 naar een schamele 9 zetels.
Ook op persoonlijk vlak kende Asscher in deze periode moeilijke momenten. In oktober 2017 stierf Asschers vriend en steun en toeverlaat, en oud-burgemeester van Amsterdam, Eberhard van der Laan. Daarna, in januari 2018, bijna een jaar na de historische verkiezingsnederlaag, overleed zijn vader aan alvleesklierkanker. En in de herfst van 2018 stierf ook oud-premier Wim Kok, met wie Asscher het goed kon vinden op zowel professioneel als persoonlijk vlak.
Maar Asscher stond op. Na het verlies van de verkiezingen moest er geformeerd worden, maar de PvdA deed begrijpelijkerwijs niet mee. In de lange formatieperiode bleef Asscher zijn functies als minister en vicepremier uitvoeren. Daarna begon hij met leiding geven aan de negenkoppige fractie. Asscher beschrijft hoe de PvdA door het verlies tientallen mensen moest ontslaan en dat de interne kritiek op de partijleiding steeds heftiger werd. Maar hij vertelt ook over hoe hij hiermee omging, en vooral ook over hoe hij steun vond bij collega-partijleiders Pechtold, Rutte en Buma.
En passant doet Asscher in een gedeelte van het boek zijn visie voor de PvdA en voor Nederland uit de doeken. Zo pleit hij voor hervormingen op de arbeidsmarkt, in het onderwijs en op de woningmarkt. Ook komt hij met het plan voor zogenaamde “basisbanen”, banen die gemeenten kunnen aanbieden aan mensen wier functies de afgelopen jaren zijn wegbezuinigd. Asscher wil ook via een nieuw op te richten Fonds voor het Wonen een pot geld creëren van waaruit nieuwe woningen gebouwd kunnen worden. Asscher reflecteert ook op actuele (internationale) ontwikkelingen, bijvoorbeeld de opkomst van radicaal rechtse partijen aan de ene kant, maar ook de volgens hem hoopgevende groei van sociaaldemocratische alternatieven in bijvoorbeeld de VS, Groot-Brittannië en Zuid-Europa.
Dit zijn echter niet de meest boeiende en aantrekkelijke stukken uit het boek. Het omgaan met winst en verlies, de manier waarop Asscher wordt aangekeken op zijn roerige familiegeschiedenis en zijn rol als sociaaldemocratische telg in de liberale Asscherfamilie zijn veruit het interessantst. Asscher laat in het boek zien dat politici geen robots zijn, maar echte mensen met echte gevoelens. Politici staan vaak voor moeilijke dilemma’s en worden daardoor regelmatig gedwongen tot het maken van lastige keuzes. De ene of de andere persoon tevreden stellen. Of de afweging tussen persoonlijke en professionele belangen.
Asscher laat de lezer ook zien dat het in het leven van een politicus soms meezit, en soms tegen, en dat het altijd weer een kwestie is van vallen en opstaan. Niet vanuit een zielig verhaal, maar vanuit nuchtere constateringen voortkomend uit zijn dagelijkse leven. In een tijd van mediaspektakels en vluchtige onelinerpolitiek is het boek een verademing om te lezen!