24/05/2026
126. Terug bladeren in de Kroniek van 2017:
Het Karmelietenklooster Oudorp (deel 4)
Prior Willem van Egmond van het klooster in Oudorp had een heel bijzonder bijbaantje. Hij was exorcist, ofwel duiveluitdrijver. In 1549 werd zijn assistentie gevraagd in Haarlem, bij de zaak Katheryna Gerrits Galendr. Er liep een rechtszaak tegen haar, want ze werd verdacht van hekserij. Ze werd beschuldigd van het ziek toveren van een kind, van het laten mislukken van de blauwbaden van verf en – nu komt misschien wel het meest kwalijke – van het doen bederven van een partij bier. De onrust in Haarlem was groot en de Oudorpse prior werd gevraagd om ‘de schamele arme menschen te coomen helpen’. Of de prior daadwerkelijk kon helpen, weten we helaas niet.
Op 13 januari 1552 was er storm in Nederland. Grote delen van het huidige Noord-Holland liepen schade op door de zogeheten Sint Pontiaansvloed. De zeewering bij Petten brak weer eens door, het water uit de Beemster zorgde voor overstroming en ook de Oudorperpolder kwam onder water te staan. Daardoor raakte het klooster beschadigd. Kort daarna bleek dat de opgehaalde gelden voor de reparaties niet werden gebruikt waar ze voor bedoeld waren. Prior Frans Adriaansz had er andere plannen mee. Toen dat uit kwam, werd het de prior te heet onder de voeten. Hij ontvluchtte, samen met enkele afvallige medebroeders, het klooster. Zijn opvolger, pater Hendrik Taxius uit Utrecht, hield het in 1554 ook voor gezien in Oudorp. Net zoals Adriaansz en consorten bestal hij het klooster en nam de vlucht met onbekende bestemming.
Om weer aan geld te komen voor het klooster werd een stuk land van 3 hectare in de Overdie verkocht. In de jaren erna werd het klooster ieder jaar in opdracht van de provinciaal overste gecontroleerd. Men wilde eventuele nieuwe financiële malversaties nauwlettend in de gaten houden. Helaas bleven er klachten komen. In 1561 werd er geschreven dat de kloosterlingen zich niet aan de regels van de orde hielden, de altaardiensten verwaarloosden en zelfs onderdak hadden geboden aan drie moordenaars.
Het klooster verkeerde in uiterst arme staat en in 1563 schreef men dat het door ‘oudtheydt’ zo vervallen was dat het moet worden afgebroken. Al in 1562 waren de kazuifels, beelden en dienstkleden geschonken aan de kerken in Obdam en Hensbroek. De meubelen en glasen (waarschijnlijk glas-in-lood ramen) werden overgebracht naar het moederklooster in Haarlem.
Rentmeester Dirck van Teijlingen kreeg opdracht om de kloostergebouwen in Oudorp te slopen. Prior Quaedtsaedt, die sinds 1556 belast was met de leiding over het Oudorpse klooster, was het hier niet mee eens. Toen hij terug kwam van een buitenlandse reis liet hij het godshuis (de kerk) ‘een weynig’ repareren. Daar nam hij zijn intrek in. Zijn opvolgers hielden het nog tot 1572 in Oudorp vol. De laatste visitatie door de provinciaal overste vond plaats op 7 juli 1571. Pater Petrus Winckelius werd, samen met de weinige religieuzen die nog over waren, in 1572 door ‘ketters’ verjaagd. Hij vluchtte naar Vlaanderen en stierf op 20 juli 1611 in een klooster in Mechelen.
Ook het kerkje bij het klooster werd gesloopt. Al spoedig graasde er vee op de voormalige kloostergronden. En de put met geneeskrachtig water, toegewijd aan Sint Antonius Abt, was niet meer nodig. Voor dat soort katholiek bijgeloof was in het gereformeerde Holland geen plaats.
Dit is deel 4 van de samenvatting van een artikel dat Chris Houtman schreef. U kunt zijn hele verhaal in de Kroniek van 2017 nabestellen via [email protected]