03/10/2024
𝗗𝗲𝘇𝗲 𝗳𝗮𝗯𝗿𝗶𝗲𝗸 𝗶𝗻 𝗡𝗶𝗷𝗺𝗲𝗴𝗲𝗻 𝘄𝗮𝘀 𝗻𝗶𝗲𝘁 𝗴𝗲𝘀𝗰𝗵𝗶𝗸𝘁 𝗮𝗹𝘀 𝘀𝗰𝗵𝘂𝗶𝗹𝗸𝗲𝗹𝗱𝗲𝗿, 𝘇𝗼 𝗯𝗹𝗲𝗲𝗸 𝘁𝘄𝗲𝗲 𝘄𝗲𝗸𝗲𝗻 𝗻𝗮 𝗱𝗲 𝗯𝗲𝘃𝗿𝗶𝗷𝗱𝗶𝗻𝗴
In het najaar van 1944 reisde Martha Gellhorn naar het bevrijde zuiden van Nederland. Gellhorn (1908-1998) was een Amerikaanse journaliste met als specialiteit oorlogsverslaggeving. In dat genre geldt ze als een grote. Ze was net zo beroemd als haar man, de schrijver Ernest Hemingway, die in 1954 de Nobelprijs voor Literatuur ontving.
Gellhorn kwam naar Nijmegen om reportages te schrijven voor het tijdschrift Collier’s Weekly, dat in Amerika veel gelezen werd. Oorlogsgeweld en verwoesting was Gellhorn wel gewend. Zo had ze samen met Ernest Hemingway verslag gedaan van de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939). Die oorlog had aan meer dan een half miljoen mensen het leven gekost. De ruïnes van Guernica, de Spaanse stad die in april 1937 door de Luftwaffe werd gebombardeerd, werden een symbool van modern oorlogsgeweld.
Nijmegen deed nauwelijks onder voor Guernica. Op 22 februari 1944 was de stad getroffen door een bombardement van de Amerikaanse luchtmacht, die van plan was geweest de Duitse oorlogsindustrie te treffen. Het officiële dodencijfer bedraagt 773. Het eigenlijke dodencijfer is hoger, omdat onderduikers niet werden meegeteld.
𝗙𝗿𝗼𝗻𝘁 𝗹𝗮𝗻𝗴𝘀 𝗱𝗲 𝗿𝗶𝘃𝗶𝗲𝗿𝗲𝗻
Een groot deel van het stadscentrum werd verwoest. ‘Ik heb geen idee hoe Nijmegen er vroeger uitzag’, schreef Martha Gellhorn. ‘De stad had waarschijnlijk een mooie oude wijk, maar als gevolg van een maand of langer ononderbroken bombarderen, ziet de stad er nu uit alsof zij jaren geleden verlaten werd na een aardbeving of een overstroming.’
Gellhorn had het niet alleen over de gevolgen van het bombardement van 22 februari 1944. Ruim een half jaar later, in september 1944, was er zwaar gevochten tijdens de Slag om Nijmegen. De slag was een onderdeel van Operatie Market Garden, de poging van de geallieerden om de bruggen over de Rijn bij Arnhem in handen te krijgen. Nijmegen was na drie dagen van zware gevechten bevrijd, maar de Rijnbruggen bij Arnhem bleken een brug te ver. Na de mislukking van Operatie Market Garden kwam het front langs de grote rivieren te liggen.Nijmegen was dan wel bevrijd, van vrede was voorlopig nog geen sprake. De stad lag onder vuur. Vanuit de Betuwe en het Duitse grensgebied vuurden de Duitsers granaten af. Met mini-onderzeeërs probeerden ze de Waalbruggen te vernietigen. Dat lukte met de spoorbrug; de verkeersbrug bleef behouden.
𝗞𝘂𝗶𝗹𝗲𝗻 𝗺𝗲𝘁 𝘀𝗹𝗮𝗰𝗵𝘁𝗮𝗳𝘃𝗮𝗹
De bevolking leed het meest onder de aanvallen van de Luftwaffe. Bij bombardementen op 26 en 28 september vielen tientallen dodelijke slachtoffers. Vier dagen later, op 2 oktober, begonnen de Duitsers een offensief om de bevrijde gebieden rond Nijmegen te heroveren. Groesbeek, ten oosten van Nijmegen, was een belangrijk doel. Vanuit de Ooijpolder werden het dorp en het oostelijk deel van Nijmegen bestookt.
De bewoners zochten bescherming in kelders van huizen en fabrieken. Dat gebeurde ook in de Nijmeegse wijk Bottendaal. De naam van de wijk verwijst naar de kuilen waarin slagers vroeger hun afval dumpten. Het was een arbeiderswijk met hier en daar een werkplaats of een fabriek, zoals de kapokfabriek aan de De Ruyterstraat.
In de fabriek werden voor de oorlog kussens en matrassen met kapok gevuld, in de oorlog was het een opslagplaats. In het najaar van 1944 fungeerde de kelder van de kapokfabriek als schuilplaats. De kelder, eigenlijk een souterrain, was 37 meter lang en 30 meter breed. Als schuilplaats was het minder geschikt.
Op 2 oktober 1944 rond zeven uur ’s avonds begonnen de Duitsers de stad te bombarderen. Meer dan 150 mensen zochten hun toevlucht in de kelder van de kapokfabriek. Iets na 10 uur werd de fabriek getroffen, vermoedelijk door twee brandbommen of een brisantbom. De fabriek vloog in brand, het vuur verspreidde zich snel. Het dak en de vloer van de eerste verdieping stortten in en vielen door het plafond van de kelder. Uitgangen van de kelder raakten geblokkeerd.
𝗜𝗻 𝗱𝗲 𝘃𝗲𝗿𝗴𝗲𝘁𝗲𝗹𝗵𝗲𝗶𝗱
Het was al donker en de chaos in de stad was groot. Het duurde lang voor de reddingswerkers ter plaatse waren. Toen eind oktober de laatste lichamen gevonden waren, stond het dodental op 99. Twaalf mensen werden gered, ongeveer 45 waren ontkomen.
Het drama in de kapokfabriek raakte na de oorlog in de vergetelheid. Nabestaanden van de slachtoffers en een buurtcomité namen later het initiatief tot een monument, dat in 2018 werd onthuld. Het bestaat uit twee metalen platen. Op de linkerplaat staan de plattegrond van de kapokfabriek en de woorden ‘Bijna vergeten’. De rechterplaat verhaalt van de gruwelijke dood van bijna honderd buurtbewoners die zich in de kelder veilig hadden gewaand.
Lees het artikel online op: https://www.nd.nl/cultuur/cultuur/1221246/deze-fabriek-in-nijmegen-was-niet-geschikt-als-schuilkelder-z