01/10/2026
Midwinterhoorn.
Een roodborstje en een koolmees maken ruzie in het stappe g*t waar schippers naar boven
kunnen klimmen naar de kade, om een pepernoot, die door zwarte pieten tijdens de intocht is
neergestrooid. Het is zaterdagmiddag, morgen is het de eerste adventzondag.
Minie, de oudste van het gezin Nijboer helpt haar moeder met de adventskandelaar. “Mam
vraagt Minie, gaan we morgen ook naar de kerk toe?” Ja meid, dat is zeker de bedoeling en
ze zet de laatste kaars op de kandelaar. “Oooh, zegt moeder ineens, morgenmiddag komt
ome Jans en tante Marie uit Dedemsvaart gezellig op de koffie. Drikus en Hendrik-Jan komen
jullie eens bij me” vraagt moeder. “Ja, wat is er? Ik moet zeker weer met mijn broertje vader
uit het café van Jentien de Boes halen?” zegt Drikus. “Ja, roept Hendrik- Jan, dan krijg ik vast
en zeker wel een glaasje gazeuse van de kasteleinse” Willen jullie eerst langs de bakker een
lekkere cake halen, voor de visite van morgen en dan vader halen. Hier hebben jullie 2
rijksdaalders en het wissel geld wel terug geven hè!, de komende maanden zijn al duur
genoeg!
De jongens trekken hun jassen aan en gaan naar buiten, een koude zuidoosten wind blaast in
hun gezicht. Hendrik-Jan zegt tegen Drikus: “ Ik ga weer terug het is me te koud”. “Kom op,
we zijn zo bij de bakker en daar is het lekker warm binnen” zegt Drikus. Ze lopen in de
Hofstraat richting bakker Reidinga. “Hier rechtsaf is korter en niet zoveel wind” moppert
Hendrik-Jan. Drikus schiet op het laatste moment de Kalvertstraat in en bots tegen de
nieuwe bakkersknecht Gait Ribberink aan. Gait komt uit de omgeving van Hardenberg. “O
sorry”, zegt Drikus. “Is er nog van die lekkere cake in de winkel vraagt Hendrik-Jan”. Ja, die
hebben we vanochtend gebakken ga maar snel naar de bakkerij! Gait en de jongens groeten
elkaar en gaan ieders hun eigen weg.
De jongens komen aan bij de bakkerij waar ze zich vergapen aan al dat lekkers. “Een stuk van
dat lekkere marsepeinen varken” zegt Hendrik-Jan. “Nee één cake” zegt Drikus een beetje
boos. De bakkersvrouw schiet in de lach, één cake dus. Ja zegt Drikus. Ze betalen de cake en
wensen de bakkersvrouw een fijn weekend toe.
De jongens lopen naar de deur en wie loopt er voor de mooie etalage ruit langs? Vader.
“Verdikkeme” roept Hendrik-Jan “Daar gaat m’n glas gazeuse”! “Hier jongens een stukje
borstplaat “zegt de bakkersvrouw.
“Goedemiddag”, zegt vader terwijl hij de winkel binnenstapt. “Ze lopen toch niet te zeuren
om lekkers” vraagt hij aan de bakkersvrouw “Nee, dit hebben ze gewoon verdiend”
antwoordt ze. “Bofkonten” zegt vader. “Kom jongens we gaan naar moeders en Minie toe”.
“Goed weekend” zegt vader en ze lopen de winkel uit.
Thuis aangekomen is moeder verbaasd dat ze zo vroeg weer zijn. “Ik liep langs de bakker en
de jongens stonden in de winkel, ze zijn niet in het café geweest” zegt vader. Moeder en
Minie dekken de tafel en het hele gezin geniet van het avondeten. Na het eten is er nog even
tijd voor een paar potjes mens erger je niet, terwijl vader onderuit gezakt in zijn rookstoel de
krant leest en zijn pijp rookt.
“Kom kinderen naar bed, morgen moeten we vroeg op voor de kerkdienst”. “Ja, zegt Minie,
dan mogen we de eerste kaars van de adventkandelaar aansteken”. De kinderen worden
door vader en moeder lekker ingestopt. “Blijf er goed onder, het gaat vannacht vriezen” zegt
moeder.
Bij het aanbreken van de dag schrikt Hendrik-Jan wakker. Hij hoort de hoorn van de werf.
Nee, denkt hij bij zichzelf dat kan niet, het is zondag niemand is daar. Hij luistert en stapt uit
bed om zijn broer Drikus wakker te schudden.
“Hé, moet je eens horen: Tooooooooooeeeet toooooooeeeet” klinkt het in de verte. “Laat
me slapen” antwoordt Drikus knorrig. “Drikus wat is dat voor een geluid? Het is niet de
hoorn van de werf” toooeeet tooooooooeeeet tooooooooeeeeeeet, klinkt het weer.”Dit heb
ik nog nooit gehoord” zegt Drikus en hij springt uit bed. “Kom, op onderzoek uit!” Ze
schieten zich in de kleren en rennen de trap af. “Waar gaat dat naar toe?” roept moeder hun
achterna. “Wij willen weten wat voor geluid dat is, heeft u het dan niet gehoord moeder?”
vragen de jongens. “Ja, dat heb ik wel, maar we gaan zo naar de kerk jongens”. “Ja, moeder
maar eerst heel even naar buiten om te luisteren waar het geluid wegkomt”…… en foetsie
zijn de jongens. Ze rennen naar de gracht en horen het geluid nog steeds. Het komt uit het
Van Stolkspark! Ze rennen de brug over richting het park, maar dan horen ze niks meer.
“Kom we gaan terug” zegt Hendrik-Jan. “Ik ben zo benieuwd wat het is en nu is het weg”
zegt Drikus. Teleurgesteld lopen de jongens weer terug naar huis.
Thuis aangekomen kloppen ze op de deur. Minie doet open, “Mama heeft jullie bord pap al
klaar staan”. Ze vragen de zegen over het eten en genieten er lekker van. “Opschieten
jongens we gaan naar de kerk toe” zegt vader. “Ik hoor de kerkklok niet” zegt Hendrik-jan.
“Ja, nu je het zegt”, zegt moeder. “Je hebt gelijk normaal luiden die al”. “Stil eens” zegt
Minie, tooooooeeeet tooooooooeeeeeeet klinkt het weer. “Daar heb je het geluid weer!”
zegt Drikus en opgewonden rent hij naar de gang om zijn jas te pakken.
De hele familie Nijboer maakt zich klaar om naar de kerk te gaan. Vader trekt de deur achter
zich dicht en Drikus staat al ongeduldig te wachten op de brug bij de gracht. “Kom nou,
schiet op!” roept hij voordat het geluid weer weg is! Met een stevige pas lopen ze richting
het Viskerkje. In de verte staat een man op de straat met iets wat lijkt op een stuk van een
boom of een dikke stok. Het is moeilijk te zien wat het precies is, de zon schijnt hun in de
ogen, maar het ziet er heel bijzonder uit. Eigenlijk wel een beetje mysterieus, helemaal met
het geluid erbij.
Drikus rent op de man af en vraagt buiten adem “Wat doet u ……..oooooooh jij bent het,
Gait de nieuwe bakkersknecht”. “Ja jongen, ja wat doe ik? Ik roep de mensen om naar de
kerk toe te gaan. Heur de roop an” roept Gait, terwijl steeds meer mensen dit bijzonder
verschijnsel in Hasselt voor het eerst zien.
“Dat doen we om de geboorte van het kerstkind aan te kondigen, vroeger deed men dat om
boze geesten weg te jagen, jullie hoeven niet bang te zijn, dat die er nog zijn. We hebben al
die geesten allang weggeblazen. Wij, blazers beginnen eerste adventszondag met blazen tot
en met Drie Koningen op 6 januari.”
“Maar mijn broer en ik hebben jou vanochtend vroeg ook gehoord zegt Drikus.” Ja, zegt Gait.
“Ik ben begonnen met blazen bij het aanbreken van de dageraad, als de zon de nacht
welterusten kust. Op dat moment blaas ik, net als veel bloasers in andere gebieden: ‘ d’ Olde
Roop’ en daarna ben ik een poosje stil. Dan staan we stil bij de mensen die ons zijn
ontvallen, op die manier eren we alle mensen die ‘uut de tied e kom’n bint. Op de laatste
dag, dat we mogen blazen gaan we weer terug naar de begraafplaats en blazen wij weer,
maar dan alleen de laatste twee tonen van de roop.
De rest blazen we dan niet ten teken, dat wij weer terugkomen en de overledenen niet
zullen vergeten”.
“Tjonge”, zegt vader, dat had ik er niet bij bedacht. “Ja”, zegt Gait, “maar het is vooral mooi
en gezellig iets wat jullie echt zouden moeten zien en horen. In de donkerste tijd van het jaar
blazen wij voor een ieder of je wel of niet gelooft. Wij willen de mensen laten weten, dat
wanneer je over straat loopt overdag of in het donker en je hoort de Olde Roop van de
midwinterhoorn, dat je dan niet alleen buiten bent.
Er staat ook een midwinterhoornblazer buiten en denk dan, hoe moeilijk zwaar of gemeen
het leven ook is, het is nog nooit zo donker geweest of het wordt wel weer licht”.
“Het is dus met een goede boodschap dat u staat te blazen” merkt vader op. ‘Ja, meneer of
u het gelooft of niet, wij blazers, roepen de mensen op om naar elkaar om te zien”. “Jij bent
een lichtblazer”, zegt Minie enthousiast. “Ja, lieverd voor een ieder die het horen wil. Ik zal
een keer voor jullie blazen” zegt Gait. Een olde Roop klinkt uit de hoorn, even daarna is het
stil. “Fijne Advent periode en veel heil en zegen voor het nieuwe jaar”, wenst Gait alle
toeschouwers toe, terwijl hij de happe uit de midwinterhoorn haalt en de midwinterhoorn
op zijn klomp laat rusten.