18/03/2026
Op dit moment zijn Janny Peltjes en ik in Gambia . We wilden rust maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan en we bezochten, agricultuur projecten en nieuwe boomplant projecten. Ik zag de vreugde in de ogen van Janny zodra ze met haar handen in de aarde zat. En ik zag de verwondering in de ogen van de landbouwers toen de sapstroom van de tomaten plant, muziek begon te maken. In de avond inpireerde mij deze ontmoeting tot de volgende tekst.
DE AKKER EN HET PODIUM
Er is een moment, vroeg in de ochtend, waarop een boerin haar land betreedt en een musicus zijn instrument oppakt — en beide doen precies hetzelfde. Ze luisteren eerst. Ze stemmen zich af op iets wat groter is dan zijzelf. Ze weten dat wat ze gaan doen niet volledig maakbaar is, en dat juist dáár de schoonheid in schuilt.
Landbouw en kunst worden zelden in één adem genoemd.
De een ruikt naar aarde en diesel, de ander naar theaterstof en terpentijn. Maar wie iets dieper kijkt, ziet dat het dezelfde handen zijn.
De boer zaait in onzekerheid. Hij legt iets in de grond en weet niet precies wat er terugkomt. Hij werkt met levend materiaal — en levend materiaal heeft een eigen wil. De kunstenaar herkent dit onmiddellijk. Ook hij begint een werk zonder te weten waar het hem brengt. Controle is een illusie die je vroeg loslaat, of je nu op een podium staat of op een tractor.
De boerin beheert tijd. Zij denkt in seizoenen, in cycli van jaren, soms van generaties. De kunstenaar componeert tijd. Hij trekt de toeschouwer mee in een ritme, een spanning, een ontlading. Beiden weten: timing is alles. Te vroeg oogsten is even fataal als te vroeg het gordijn openen.
De wereld die wij hebben gebouwd heeft landbouw en cultuur allebei tot de rand van uitputting gedreven. De boer wordt gevraagd te produceren alsof de aarde een fabriek is. De kunstenaar wordt gevraagd content te leveren alsof verbeelding een algoritme is. Beiden gereduceerd tot hun output. Beiden beoordeeld op rendement.
En beiden verzetten zich. Stil, hardnekkig, seizoen na seizoen.
Want een samenleving die haar boeren reduceert tot producenten en haar kunstenaars tot entertainers, heeft haar zintuigen afgesneden. De boer voedt het lichaam. De kunstenaar voedt de ziel. Zonder het een verschrompelt het vlees. Zonder het ander verschrompelt de mens tot iets wat wel beweegt, maar niet meer voelt waarvoor.
De akker en het podium zijn niet elkaars tegenpolen. Ze zijn elkaars spiegels. In beide wordt iets gezaaid wat pas later ontkiemt. In beide is geduld geen deugd maar een overlevingsstrategie.
De aarde en de kunst. Twee namen voor hetzelfde verlangen.