01/06/2026
Soms zeg je: ‘O, ik voel me zo gedeprimeerd!’ Weet je wat dat betekent? Dat betekent, dat je in de macht van de dood bent. Telkens wanneer je je — in je hart of je geest — gedeprimeerd voelt, betekent dat, dat je onder invloed van de dood en in de macht van de duisternis bent. Je moet leren hoe je Christus, de opgevaren Christus, op je situatie moet toepassen. Je moet Hem onmiddellijk beroeren. Je moet zeggen: ‘Ik laat me door geen enkele omstandigheid deprimeren. Ik heb de opgevaren Christus; ik ben in Hem.’ Je moet dit eenvoudig tegen de Heer zeggen. Je moet Hem beroeren. Wanneer je Hem beroert, zul je in Zijn opstanding en hemelvaart zijn, want de Christus die jij beroert, is de Christus die ten hemel gevaren is. Wanneer je Hem beroert, zul je hoog op de bergen zijn, en niet beneden in de dalen. Dan bevind je je in het hooggebergte, ver boven de zeespiegel. Het probleem is, dat je, telkens wanneer je je gedeprimeerd voelt, Christus vergeet. Dan vergeet je dat je zo’n Christus hebt, die ver boven alles is. Je past Hem niet toe. Je beroert Hem niet.
Broeders en zusters, hoe kun je de innerlijke strijd winnen? Dat zal ik je vertellen. De enige manier is, door in de opgevaren Christus te zijn. Alleen met de opgevaren Christus in de hemelen kun je tegen de vijand strijden. Dan zal de vijand onder je voeten zijn. Wanneer je gedeprimeerd bent door de satan, wanneer je onder zijn voeten terecht komt, hoe kun je dan tegen hem vechten? Je moet beseffen dat je in de opgevaren Christus bent. Je bent mede gezet in de hemel in Christus Jezus.
Pas Christus toe op je situatie. Dan zul je Christus ervaren als de Opgevarene, en zul je weten, dat je met Hem opgevaren bent. In Christus ben je ten hemel gevaren. O, broeders en zusters, wat een Redder is Hij! Wat een Christus is Hij voor ons! Wat een redding, wat een bevrijding! Hij is de levende Christus, die is opgevaren naar de hemelen. We moeten Christus in die mate kennen. We moeten Hem prijzen, dat Hij de wijdse en opgevaren Christus is. (De Allesomvattende Christus, blz. 34-35, 38)