20/07/2026
Gisteren was ik op de Gentse Feesten. Wat op zich niet zo moeilijk is als je in Gent woont :). Maar voor alle feestgedruis nam ik er deel aan een debat over welvaart en de welvaartstaat, onder andere naar aanleiding van het boekje dat Bart De Wever daarover schreef. Bij het nadenken over welvaart maakte ik me bedenking dat België geen arm land is. We staan in de top van rijkste regio’s. We hebben sterke bedrijven, hoge productiviteit, veel privévermogen en een sociale zekerheid die generaties lang kansen heeft gecreëerd. De vraag is dus niet of er welvaart is. De echte vraag is: wie krijgt er toegang toe, wie draagt de lasten en wie wordt vandaag verteld dat hij of zij vooral te veel kost?
Want daar wringt het schoentje. Inkomens zijn in België relatief gelijker verdeeld omdat we herverdelen via belastingen, sociale zekerheid en collectieve voorzieningen. Bij vermogen zien we een heel ander verhaal, dat is veel ongelijker verdeeld. Wie over welvaart spreekt, maar zwijgt over verdeling, vertelt dus maar de helft van het verhaal.
En dan is er nog het verschil tussen welvaart en welzijn. Welvaart gaat over inkomen, vermogen, koopkracht en wonen. Welzijn gaat over gezondheid, tijd, zekerheid, mentale rust en sociale verbondenheid. Een land kan rijk zijn en tegelijk mensen uitputten. Daarom moeten we durven vragen of het beleid mensen sterker, zekerder en vrijer maakt — of net angstiger en kwetsbaarder.
Voor mij is de welvaartsstaat geen liefdadigheid. Ze is een collectieve verzekering tegen risico’s die iedereen kunnen treffen: ziekte, werkloosheid, ouderdom, arbeidsongevallen of zorgnoden. Dat is geen gunst, maar een sociaal recht, opgebouwd door bijdragen, belastingen en sociale strijd.
In het discours van Bart De Wever en van het Arizona-beleid wordt dat idee uitgehold. Sociale bescherming wordt steeds vaker voorgesteld als iets voor mensen die eerst moeten bewijzen dat ze het verdienen. Zo keren we terug naar het oude onderscheid tussen zogenaamde “goede” en “slechte” armen. Werklozen, langdurig zieken en ouderen met lage pensioenen worden bekeken als een last in plaats van als mensen met rechten.
Maar sociale zekerheid bestaat net omdat mensen niet altijd kiezen wat hen overkomt. Ziekte, ontslag, een arbeidsongeval of zorg voor een naaste: het kan iedereen treffen. Solidariteit is daarom geen naïef ideaal, maar een rationele manier om samen sterker te staan.
Wat vandaag gebeurt, is geen neutrale modernisering. Onder de vlag van activering, begrotingsdiscipline en “wie werkt moet meer overhouden” wordt sociale bescherming smaller, strenger en voorwaardelijker gemaakt. Zo maak je het verschil met werken inderdaad groter, zonder dat de werkende mens een euro meer heeft. Het is ook een manier. Zieken, werklozen, gepensioneerden en werkenden worden echter keihard tegenover elkaar geplaatst. Terwijl iedereen ziek, werkloos kan worden en hopelijk ook gepensioneerd wordt. Door die tegenstelling bewust te creëren, breek je solidariteit af van binnenuit. En vuur je polarisering aan. Laat mij duidelijk zijn: werk is belangrijk. Enorm belangrijk. Het geeft inkomen, structuur, sociale contacten en eigenwaarde. Maar waardig werk is iets anders dan mensen opjagen. Het is niet door werklozen hun uitkering af te pakken dat ze plots een passende job vinden. Het is niet door langdurig zieken te culpabiliseren dat ze plots genezen. We moeten het trouwens ook dringend eens hebben over ‘onbetaald werk’, in een huishouden of door vrijwilligers. Dat onbetaald werk houdt onze samenleving overeind, maar wordt niet op waarde geschat. Integendeel, wie bijvoorbeeld zorgt, loopt grotere kans om daar later in zijn pensioen nog eens voor gestraft te worden.
Laten we eerlijk zijn: niet de sociale zekerheid is het probleem. Niet de vakbond. Niet de zieke of werkloze. Het probleem is een beleid dat de economie voorstelt als een natuurwet, terwijl economie mensenwerk is. We kunnen ze organiseren voor aandeelhouders, of voor zekerheid, waardigheid en toekomst voor iedereen. Daarom hebben we meer nodig dan verzet tegen slechte hervormingen. We hebben een eigen offensieve agenda nodig: hogere minimumlonen, sterke pensioenen, arbeidsduurvermindering, goede publieke diensten, toegankelijke mentale gezondheidszorg, veilige woningen, eerlijke fiscaliteit en meer zeggenschap over werkbaar werk.
En ook over groei moeten we eerlijker spreken. Groei kan de welvaartsstaat financieren, maar groei om de groei is geen project. We hebben nood aan slimme groei: investeringen in kennis, innovatie, hernieuwbare energie, zorg, onderwijs en levenslang leren — groei die werknemers beschermt in plaats van hen achter te laten.
Sociale actie is daarom meer dan druk zetten. Het is tonen dat mensen niet alleen staan. Het is van ongerustheid opnieuw collectieve kracht maken, met duidelijke eisen: betere kinderopvang, hogere lonen, sterke pensioenen, kortere werktijden, meer publieke dienstverlening en een eerlijke bijdrage van grote vermogens.
De welvaartsstaat is geen last uit het verleden. Ze is een van onze grootste democratische verwezenlijkingen. Ze maakte mensen vrijer, zekerder en sterker. Wie ze vandaag afbouwt, noemt dat hervorming. Ik noem het achteruitgang.
De keuze is helder: ofwel laten we mensen meer risico’s individueel dragen en minder bescherming verwachten. Ofwel kiezen we opnieuw voor een samenleving waarin welvaart gedeeld wordt, welzijn centraal staat en vooruitgang betekent dat iedereen mee kan.
Dat is geen nostalgie. Dat is sociale vooruitgang. En precies daarom is dit debat over welvaart zo belangrijk. Te belangrijk om over te laten aan rechtse politci.