11/07/2025
11 juli: feest van de Vlaamse Gemeenschap
Sinds 1973 viert de Vlaamse Gemeenschap op 11 juli haar officiële feestdag, ter herdenking van de Guldensporenslag in 1302. Deze veldslag tussen de Vlamingen en het centralistische Frankrijk wordt vaak ten onrechte voorgesteld als een loutere taalkwestie. In werkelijkheid was het een complex feodaal en sociaal conflict, geworteld in machtsstrijd en economische belangen die de hele maatschappij doordrongen.
Er waren ruwweg vier verschillende groepen te onderscheiden die een rol speelden in dit conflict. Aan de ene kant stond de Franse koning, Filips de Schone, die zijn greep wilde verstevigen op het relatief autonome graafschap Vlaanderen. Dit graafschap besloeg toen West-Vlaanderen, het noorden van Oost-Vlaanderen, Frans-Vlaanderen en Zeeuws-Vlaanderen, terwijl Antwerpen en Limburg respectievelijk tot het Hertogdom Brabant en het Graafschap Loon behoorden. Tegenover de Franse koning stond de Vlaamse grafelijke dynastie, de Dampierres, die droomde van een sterk en onafhankelijk graafschap Vlaanderen. Het conflict tussen de Franse adel en de Vlaamse aristocratische heersende klasse was één facet van de strijd.
Een ander conflict speelde zich af binnen de steden, tussen de patriciërs en de ambachtslieden. Vlaanderen was in de dertiende en veertiende eeuw sterk verstedelijkt, met twee derde van de stedelijke beroepsbevolking werkzaam in de textielnijverheid. De Vlaamse lakennijverheid was traditioneel in handen van ondernemers-groothandelaars, die ook de stedelijke bestuursfuncties monopoliseerden en deze macht niet wilden delen. In Brussel was de situatie enigszins anders: hier hadden de patriciërs de macht gedeeld met de gilden en ambachten, wat verklaart waarom de toren van het stadhuis niet in het midden staat en het oudste deel (aan de kant van de Karel Bulsstraat) groter is dan de later toegevoegde vleugel, die bedoeld was om de ambachten te laten participeren in het stadsbestuur. In Vlaanderen echter weigerden de patriciërs zelfs de organisaties van de ambachtslieden te erkennen. Door hun machtsstreven kwamen ze zelfs in conflict met de grafelijke dynastie, die haar greep op de steden wilde verstevigen.
Op deze manier ontstond een vreemde, maar onder de omstandigheden logische alliantie. Enerzijds stonden het patriciaat en de Franse koning, en anderzijds de ambachtslieden en de Vlaamse graaf. Het is duidelijk dat de Dampierres niet uit oprechte sympathie voor het gewone volk kozen, maar omdat dit de enige optie was met kans op slagen in de strijd tegen het gecombineerde front van Franse adel en Vlaamse patriciërs.
Deze conflicten werden niet opgelost door overleg en diplomatie. In 1297 werden Brugge en Kortrijk bezet door de Fransen, en de rest van Vlaanderen volgde in 1300. In 1302 waren er verschillende opstanden in Brugge en Gent, met als hoogtepunten de Brugse Metten en op 11 juli een veldslag in Groeninge bij Kortrijk. De troepen van de Franse koning waren ruim in de meerderheid, met een groot aantal zwaar gepantserde ridders. Juist deze zwaar bepantserde ruiters vormden een zwakte in het drassige terrein. In 1302 werd bewezen dat grote aantallen vrije ambachtslieden en boeren het konden opnemen tegen de gewapende macht van de traditionele adel. Hun overwinning werd de Slag der Gulden Sporen genoemd, omdat na de slag talloze gouden sporen van de Franse ridders op het slagveld achterbleven.
Maar hier stopt de geschiedenis niet. De Vlaamse steden ontwikkelden zich verder, met een lakennijverheid die tot ver over de grenzen bekend was, en leverden een hevige concurrentiestrijd met andere steden. Denk bijvoorbeeld aan Everaard t'Serclaes, die in 1356 Brussel heroverde op de graaf van Vlaanderen, Lodewijk van Male, tijdens de Brabantse Successieoorlog. Waar het niet met woorden ging, waren er opstanden en wapens.
Het Geuzenboek gaat over een soortgelijke episode uit de geschiedenis van de Nederlanden in de zestiende eeuw, waarbij de bos- en watergeuzen streden tegen de Spanjaarden met hun Inquisitie. Ditmaal ging het Zuiden van de Nederlanden ten onder, terwijl het Noorden herboren kon worden na een bizar spel van opstanden, revolutie en oorlog, waaronder het hongerjaar 1566 dat de Beeldenstorm in gang zette. Dit alles speelde zich af tegen een achtergrond waarin figuren als Willem van Oranje, hertog Alva, Filips II en de – precies 450 jaar geleden onthoofde – graven van Egmont en Horne, een al dan niet glorieuze rol speelden. Net zoals in 1302 ging het hier ook weer hoofdzakelijk over een sociaal conflict, waar dit keer zelfs godsdienst een niet onbelangrijke rol speelde.
De roman Vergeten Straat past volledig in dit rijtje, niet in het minst omdat het zich afspeelt in Brussel. We kennen allemaal de "schieven architek", het scheldwoord bij uitstek van de gewone Brusselaar voor de projectontwikkelaar die de gewone man verdreef (of verdrijft) om grote projecten neer te zetten: de Sint-Hubertusgalerijen, de Putterij, de Basfonds en de megalomane torens van "Polle Panch" in de Noordwijk. In Vergeten Straat gaat het precies over de Noord-Zuidverbinding. Een doodlopend straatje wordt compleet afgesloten van de buitenwereld. De bewoners protesteren eerst, organiseren comités en breken werfmuren af. Maar langzaam groeit bij enkelen het idee dat het isolement ook positieve gevolgen heeft: geen elektriciteit, water, belastingen meer; geen plichten. Het leven in de straat raakt georganiseerd, mensen worden socialer, moediger en, vooral, vrijer. Het leven evolueert naar een vrij en aangenaam bestaan voor de bewoners. Dit blijft echter niet duren. Niet alle bewoners denken er zo over. Sommigen zijn jaloers, anderen blijven materialistisch en kunnen de straatmentaliteit niet begrijpen, en weer anderen verlangen gewoon terug naar hun vroegere, slaafse leven.
En daar gaat het allemaal om: het permanente verzet tegen de grote almacht van adel, geld, religie, of wat dan ook. In 2025 blijft dit thema even relevant als in 1302.