19/06/2026
De EU staat op het punt te beslissen of ze maatregelen gaat nemen tegen de handel met illegale Israëlische nederzettingen — en voor het eerst sinds jaren is haar favoriete excuus opgebruikt.
Twintig jaar lang was één woord de struikelblok: unanimiteit. Als je goederen uit de nederzettingen aan banden legt, zo luidde het argument, is dat een „sanctie“ — en voor sancties is instemming van alle 27 lidstaten nodig, waardoor Hongarije, Duitsland en Italië voor altijd hun veto konden uitspreken.
Dat is aan het instorten. De Juridische Dienst van de Raad heeft geadviseerd dat artikel 207 – de handelswet van de EU – in plaats daarvan kan worden gebruikt. Dat betekent een gekwalificeerde meerderheid. Geen veto van één enkele lidstaat. En niet alleen tarieven: zelfs een volledig importverbod.
Er is al beweging. Het dossier ligt nu bij commissaris voor Handel en Brussel werkt de opties uit – een EU-breed verbod, tarieven of quota. Een meerderheid vereist 15 lidstaten + 65% van de bevolking, waardoor Italië, en niet Hongarije, de beslissende stem heeft.
Maar laten we duidelijk zijn over wat er op het spel staat. Dit is het minimum, niet het maximum. Het Internationaal Gerechtshof oordeelde op 19 juli 2024 (paragraaf 278) dat alle staten zich moeten onthouden van handel die de onwettige aanwezigheid van Israël in bezet gebied bestendigt. Dat is een bindende verplichting – geen beleidskeuze.
En het is bescheiden: de handel met nederzettingen maakt minder dan 1% uit van de betrekkingen tussen de EU en Israël, terwijl de echte hefboom – het opschorten van de associatieovereenkomst – geblokkeerd blijft door Duitsland en Italië.
De middelen bestaan al tien jaar. De wet ontbrak nooit. De wil ontbrak wel.
De vraag is niet of de EU kan optreden. De vraag is of ze eindelijk het minimum doet dat haar eigen verplichtingen vereisen — en stopt met het minimale als vrijgevigheid te bestempelen.
Dit is het moment om ze hieraan te houden.
Vertaling van (Bekijk haar post in het Engels!)