14/02/2026
Voor de bomen die wij niet meer zullen zien
Zevenentwintig jaar geleden stond ik hier voor het eerst, aan de rand van het Heibos. Het landschap rondom was een open vlakte, een agrarische leegte waar hagen en houtkanten verdwenen waren, waar de wind vrij spel had en waar het ritme van machines het had gehaald van dat van vogels. Het was een functioneel landschap geworden, maar het had zijn ziel verloren.
Samen met een klein beheersteam begonnen we stap voor stap de open ruimte opnieuw te waarderen. Niet met grote woorden, maar met spades, laarzen en jonge boompjes. Plantactie na plantactie. Elke winter opnieuw. Elke rij een kleine correctie op wat verdwenen was.
Vandaag hebben we opnieuw een perceel bebost rond het Heibos. Met een tiental vrijwilligers plantten we meer dan duizend inheemse bomen. Het was nat, de klei kleefde aan onze laarzen, het werk ging niet heel vlot. Maar tussen de modder en de wind stond iets wat groter is dan wijzelf: vertrouwen.
Waarschijnlijk zullen sommigen onder ons dit bos nooit in zijn volwassenheid zien. Onze oudste vrijwilligers weten dat misschien beter dan wie ook. Maar dat besef maakt het werk niet kleiner — het maakt het betekenisvoller. We planten niet voor applaus, niet voor onmiddellijke winst. We planten voor schaduw die wij niet zullen voelen, voor vogels die wij misschien niet meer zullen horen, voor kinderen die het vanzelfsprekend zullen vinden dat hier een bos staat.
Na generaties die veel van onze natuur hebben verkwanseld, is dit misschien een kleine tegenprestatie. Geen groot herstel, maar een begin. Een daad van verantwoordelijkheid. Een stille belofte dat open ruimte meer mag zijn dan productiegrond, dat landschap opnieuw verbondenheid kan dragen.
Wat vandaag nog een raster van dunne twijgen is, zal ooit een gesloten kruin worden. Wat nu modder is, zal bosbodem worden. En misschien zal iemand over vijfentwintig jaar hier staan en zich niet meer kunnen voorstellen dat dit ooit een kale vlakte was.