25/02/2026
Dit stond toch in de sterren geschreven? Soms vraag ik me af hoe hoog de ivoren toren is daar, op het kabinet van minister Annick De Ridder.
Mobiliteit is geen abstract beleidswoord. Het is iets alledaags: de bus nemen naar het werk, een overstap maken na een late shift, een kind dat zelfstandig naar school kan, iemand die zonder auto bij een dokter geraakt. Tot het plots niet meer vanzelfsprekend is.
De harde besparingen bij De Lijn laten vooral dat gevoel achter. Zelfs burgemeesters van de regeringspartijen beginnen zich te roeren en zeggen dat het zo niet verder kan. Hier schuurt iets fundamenteels.
De redenering achter de plannen is eenvoudig. Er rijden te veel lege bussen, dus moet het aanbod efficiënter. Minder ritten waar weinig mensen opstappen. Minder lijnen die niet renderen. Maar iedereen die ooit afhankelijk was van openbaar vervoer weet dat een bus niet leeg is omdat ze overbodig is.
Soms rijdt ze vroeg in de ochtend voor een handvol werknemers. Soms laat op de avond voor mensen zonder alternatief. Soms door dorpen waar geen trein stopt en waar een auto geen vanzelfsprekendheid is. Dat zijn geen fouten in het systeem. Dat ís net het collectieve ervan. Openbaar vervoer bestaat om ook daar te rijden waar de markt het nooit zou doen.
Dit is een stille verschuiving. Deze ingrepen gaan samen een duidelijke richting uit: minder middelen, minder aanbod, hogere tarieven. Voor veel reizigers betekent dat meer betalen voor minder zekerheid. Het past in een ideologie die we ook elders zien: regel het zelf maar. Zoek het zelf uit. Trek uw plan. Koop een wagen als het kan. Pas je leven aan.
Lokale bestuurders voelen dat scherp aan. Zij zien niet alleen cijfers of begrotingstabellen, maar gevolgen. Zij krijgen de telefoons wanneer een lijn verdwijnt. Zij horen waarom iemand plots twee uur langer onderweg is. Zij merken wanneer ouderen geïsoleerd raken of werknemers hun job moeilijker bereiken. Waar een spreadsheet acht reizigers telt, zien zij acht concrete verhalen. Het verschil tussen beleid op afstand en werkelijkheid dichtbij wordt zichtbaar.
Langzaam verandert de manier waarop naar een publieke dienst wordt gekeken. De Lijn wordt steeds vaker behandeld als een bedrijf dat moet bewijzen dat elke rit voldoende oplevert. Maar een publieke dienst heeft een andere opdracht.
Ze maakt dingen mogelijk die niet vanzelf gebeuren. Zoals straatverlichting blijft branden, ook wanneer niemand passeert, omdat veiligheid geen rekensom is. Mobiliteit hoort daar ook bij: een basisvoorziening die verbinding creëert, geen product dat alleen blijft bestaan zolang het opbrengt.
Dit zijn keuzes over prioriteiten, over hoe een regering naar haar rol kijkt, over wie mee kan en wie zich moet aanpassen. Het geeft hoop dat het debat nu breder wordt gevoerd. Dat burgemeesters, reizigers, personeel en lokale besturen dezelfde vraag beginnen te stellen, elk vanuit hun eigen ervaring.
Uiteindelijk gaat dit niet alleen over bussen of haltes. Het gaat over hoe we samenleven. Over hoe ver een samenleving wil gaan om mensen verbonden te houden, ook wanneer dat niet in een tabel past. Misschien is dat precies de vraag die we ons opnieuw moeten stellen, voordat het immobiliteitsbeleid van De Ridder en co het nieuwe normaal wordt.
Alle steun aan Acod-Tbm, ACOD - Algemene Centrale der Openbare Diensten BTB ABVV