08/10/2026
Morgen trekken we met het ABVV door Brussel.
De septemberverklaring hakt er nog altijd hard in. Ik heb de indruk dat hier toch een zware grens is overschreden. Alles moet op de schop. Is dat dan waar politiek om draait? Afbreken? Weg met alles? Maatregelen, systemen en projecten bij het vuilnis zetten, puur omdat de ene partij wat groter is dan de andere?
Vlaanderen leek mij ooit een land van bouwers. Daar zijn we vandaag ver van verwijderd. Dat zeg ik niet lichtzinnig. De eerste Vlaamse regering trad aan in 1981. Ze had weinig bevoegdheden, weinig geld, een economie in crisis. De werkloosheid was hoog, de oude industrie ging kopje-onder. Terwijl er federaal hard werd gesnoeid, koos de jonge Vlaamse regering voor de toekomst en investeerde ze in wetenschap en technologie. Men begreep dat je de oogst van morgen vandaag moet zaaien.
In 1985 kwam VESOC, waar de Vlaamse regering, werkgevers en vakbonden samen aan tafel gingen zitten. Dat overleg was geen decor. Wij hebben er decennialang op gerekend en er akkoorden in gesloten. In 1989 volgde de VDAB, in 1991 De Lijn, in 1995 het VIB. Begin deze eeuw kwamen de basismobiliteit, een kunstendecreet en een erfgoedbeleid dat die naam waardig was.
Was dat allemaal perfect? Neen. Maar er zat wel ambitie achter, een wil om iets op te bouwen voor de mensen. En het waren zelden projecten van één partij. Christendemocraten, socialisten, liberalen, Vlaams-nationalisten en groenen hebben elk op hun beurt meegebouwd. Ze pasten aan, vulden aan en maakten hier en daar beter. Coalities wisselden, accenten verschoven, maar de lijn bleef.
Bouwen vraagt tijd, geduld en vakmanschap. Een buslijn, een museum of een onderzoeksgroep van niveau bouw je niet in één legislatuur, maar met jaren planning, investeringen en het vakmanschap van mensen.
Afbreken daarentegen gaat in één begrotingsronde, op één weekend. En wat je afbreekt, krijg je niet zomaar op 1-2-3 terug. De expertise trekt weg, het vertrouwen is verdwenen en de mensen werken intussen elders. Een afbraakpoliticus heeft geen plan nodig voor wat erna komt. Dat maakt afbreken zo verleidelijk, en zo gevaarlijk.
Neem de kinderbijslag. In 2019 nam Vlaanderen die over. Wij waren geen voorstander van die splitsing, want kinderbijslag hoort bij een solidaire sociale zekerheid. Maar toen het zover was, stelden we één harde voorwaarde: kinderbijslag blijft een onvoorwaardelijk recht voor ieder kind, en die zekerheid mag niet sneuvelen. Vlaanderen beloofde met het Groeipakket dat elk kind zou tellen. Vandaag wordt die belofte al ingeperkt: het Groeipakket stopt voortaan op 23 jaar. Wat gaan ze er nog van afpingelen?
De minister-president noemt zijn begroting de grootste besparingsoperatie ooit, en hij zegt het met zichtbare trots. Het wordt verkocht als verantwoordelijkheid tegenover de volgende generaties. Maar de partijen die vandaag de schaar hanteren, zaten zelf mee aan tafel toen veel van wat nu sneuvelt werd opgebouwd. Als je vandaag zo robuust afbreekt, breek je niet alleen het werk van de tegenstanders af, maar ook de eigen geschiedenis.
Laat mij duidelijk zijn: een vakbond is niet tegen hervormingen. Wij zijn zelf bouwers. Onze sociale zekerheid, ons overlegmodel, onze paritaire comités zijn niet uit de lucht komen vallen. Generaties werkende mensen hebben ze gebouwd, steen voor steen. Maar hervormen betekent verbeteren wat er is, samen met de mensen die het dragen. Wat we vandaag zien, voelt mij toch anders. Het is afbreken zonder plan voor wat erna komt.
Daarom trekken we morgen door Brussel.
Niet uit nostalgie, en niet om alles te houden zoals het was. We komen op straat omdat onze democratie niet ophoudt na de verkiezingen, en omdat een parlementaire meerderheid nog geen maatschappelijke meerderheid is. We komen op straat omdat wat in decennia is opgebouwd, door en voor werkende mensen, niet op enkele weekends bij het grofvuil mag.
Onze welvaart is gebouwd door bouwers. Morgen laten we zien dat zij die bouwen er nog zijn.