05/06/2026
Eekschillers op pad
Eikenschors bevat looistoffen die werden gebruikt om huiden en vellen tot leer te verwerken. Zolang er leer werd gemaakt, was eikenschors onmisbaar. Het leerlooien behoort dan ook tot één van de oudste ambachten van Europa. Ook in Drenthe werd dit werk eeuwenlang uitgevoerd.
In Rolde, Borger en Exloo waren vroeger kleine leerlooierijen. In Rolde lagen achter de huidige Esstraat vier looikuilen, in de volksmond de “koepengoornties” genoemd. Het looien van leer duurde soms wel twee jaar en ging gepaard met een sterke geur. Voor stevig zoolleer werd gemalen eikenschors tussen de huiden gestrooid en daarna water toegevoegd.
Vanaf begin mei trokken groepen eekschillers vanuit de Veluwe en de Achterhoek naar Drenthe om schors te verzamelen. Vaak ging het om arme arbeidersgezinnen die in de zomer extra wilden verdienen voor de lange winter. Hele gezinnen trokken mee, soms te voet, soms per boot of later met de trein. Huisraad, keukengerei en zelfs kleine kinderen gingen mee onderweg.
De eekschillers verbleven in boerenschuren, woonwagens of zelfgemaakte hutten van plaggen en zeildoek. Het werk was zwaar. Jonge eiken werden gekapt en de schors werd met speciale hamers voorzichtig losgeslagen, omdat daarin de waardevolle looistoffen zaten. De schors werd in bundels verkocht aan leerlooierijen, terwijl het hout als brandhout werd gebruikt.
De werkdagen waren lang: van vroeg in de ochtend tot laat in de avond. In het bos kookte men aardappels boven een houtvuurtje en werd koffie gezet in een ketel boven het vuur. Ondanks het eenvoudige bestaan stonden de eekschillers bekend als harde werkers met veel saamhorigheid en vrolijkheid. Tijdens het werk werd veel gezongen en ritmisch op het hout geklopt.
Met de komst van chemische looistoffen verdween het beroep langzaam. Toch herinneren namen als Looiersgracht, Looierstraat en Koepenhof nog altijd aan deze bijzondere geschiedenis van de eekschillers en leerlooiers.
Eekschillers die zich om welke reden dan ook in Drenthe vestigden, namen vaak allerlei werkzaamheden aan. Zo ging Gerrit Fidder (geboren in 1869 te Oldenbroek), die zich in Borger vestigde, aan de slag als stoelenmatter. Aanvankelijk woonde hij in een plaggenhut aan de Eeserstraat, later aan de Rozendael. In de wijde omgeving voorzag hij stoelen van nieuwe biezen zittingen. Daarnaast maakte en repareerde hij vloermatten.
Andere bekende eekschillersfamilies die zich blijvend in onze omgeving vestigden, waren de families De Zwaan, Bokhorst en Nijkeuter. Met hun komst deden ook voor Borger minder gebruikelijke voornamen hun intrede, zoals Gerrigje, Mentje, Gijsje, Driesje, Marrigje, Jannetje, Jantje, Aartje, Aalt, Eibert, Beert en Reijer.
De familie de Zwaan heeft nog tot in 1928 gewerkt in het Padenbos te Borger en in de bossen bij Exloo en Valthe.